bouwkunst

grootschaligheid na WO II  

In Europa stond de architectuur na 1945 in veel landen lange tijd in het teken van de herbouw en de bouw van nieuwe steden. De jaren zestig brachten een ware bouwexplosie. De kleinschaligheid van het ambachtelijk bouwen was in de grote steden niet meer haalbaar, daarom werd de stad van de toekomst ontworpen als een grootschalige structuur. Ook de vorm van gebouwen werd gebaseerd op een dragende structuur (skeletbouw). Een ander uitgangspunt was dat de verschillende woonvolumes zich als modules moeten herhalen (zie ook: structuralisme). Tussen gebouwen werden groene zones gepland, met speeltuinen en parkeervoorzieningen, de infrastructuur van industrie-, landbouw- en natuurgebieden werd ontworpen. Alles leek geïnspireerd door de visie van Le Corbusier, zoals hij dat had vormgegeven in zijn woonproject Unité d’Habitation (1946-1952) in Marseille.

Het idee om woon- en werkgelegenheid van elkaar te scheiden en alle woonruimte uit de binnenstad te weren, bleek echter niet levensvatbaar. Mensen voelden zich te geïsoleerd in hun flats, parken lagen er verlaten bij. Toch zijn er enkele grootschalige projecten gerealiseerd, zoals de stad Brasilia door Lucio Costa en Oscar Niemeyer, een utopisch stedebouwkundig plan uit 1956 in de vorm van een vliegtuig (symbool voor het moderne Brazilië).
de stad Brasilia
structuralisme (1959-1990)

De groep architecten van deze Nederlandse stroming in de architectuur wordt ook wel de Forum-groep genoemd naar het gelijknamige tijdschrift. Zij verzetten zich tegen de ideeën van het eenvormige Nieuwe Bouwen, dat volgens hen leidde tot te grootschalige, anonieme gebouwen. Ze hadden meer aandacht voor de maatschappelijke effecten van het ontwerp.

Kenmerk van het structuralisme is dat de gebouwen zijn opgebouwd uit een aantal, veelal dezelfde, kleinere eenheden. De kleinste eenheden zijn terug te voeren op de menselijke maat. De gebouwen hebben vaak een opbouw die doet denken aan een soort dorp of kleine stad, vaak met een decentrale opbouw, collectieve ruimtes en meerdere ingangen.
Structuralistische projecten zijn voorbereid op toekomstige uitbreidingen, dit kan door nog meer dezelfde elementen aan een gebouw of wijk te koppelen. De kubusvorm werd veel gebruikt in het structuralisme.
Deze architecten lieten zich inspireren door architectuur van primitieve culturen als het Dogon volk.

Door de stijgende welvaart kwam er geld vrij voor experimentele woningbouw. Zo werden voor de Kasbah 184 huurwoningen op betonnen kolommen gebouwd, de ruimte op de begane grond bleef vrij voor gemeenschappelijke voorzieningen en ontmoeting. Ook de kubuswoningen van Piet Blom in Helmond en Rotterdam zijn gebouwd als 'stedelijk dak'.
Piet Blom - de Kasbah in Hengelo 1973
Architecten van het structuralismeAldo van EyckPiet Blom, Herman Hertzberger en Leo Heijdenrijk (Udens College).

organische bouwkunst (1925-heden)

Vanaf de jaren '70 wordt het organisch bouwen weer veel toegepast. Het is een expressionistische stroming, de basis van organische bouwkunst ligt in de Jugendstil en in de architectuur van de antroposofie. De strakke geometrische vormen van het modernisme worden vervangen door meer natuurlijke, organische vormen. De Nederlandse architect Ton Alberts is van mening dat kubusachtige ruimtes een mens ook hoekig en rationeel maken. Een wat lossere opvatting, met bijvoorbeeld schuine plafonds, ronde hoeken en een wat bewegelijker vormgeving zou de mensen vriendelijker en vrijer doen zijn. 
Eigenschappen zijn een plastische vormgeving, het gebruik van natuurlijke materialen als baksteen en hout, aan de natuur ontleende vormen, milieubewust bouwen en integratie met de omgeving. Er wordt onder meer gebruik gemaakt van de gulden snede en de vijfhoek is een veel gebruikte vorm. In projecten wordt vaak een reeks regenboogkleuren toegepast. Tijdens het ontwerpproces boetseren sommige architecten, soms samen met de opdrachtgevers, maquettes van klei.
ING-gebouw van Alberts en Van Huut in Madurodam
Bekende gebouwen in deze vaak energiezuinige, organische bouwstijl zijn het kantoorgebouw van de Gasunie in Groningen en de ING-bank (1984) in Amsterdam, het TGV-station van Calatrava in Lyon en Casa Organica in Mexico.

Architecten: Eero Saarinen, Alvar Aalto, Santiago Calatrava en Ton Alberts.

hightech (1970-1990)

In de jaren zeventig wordt de technologie zichtbaar gemaakt. Het kenmerk van High Technology is dat de constructie en installaties aan de buitenkant van een gebouw te zien zijn. De onderdelen van de gebouwen worden zoveel mogelijk in de fabriek geprefabriceerd. De installaties en constructieve elementen van de gebouwen worden als een soort ornament of sculptuur aan de buitenzijde geplaatst. Hierdoor krijgen de gebouwen het uiterlijk van een machine. Het argument is dat er binnen een grote flexibele lege ruimte overblijft. De gebruikte materialen zijn vooral staal, aluminium en glas. In enkele gebouwen werden de constructies aan de buitenkant in felle kleuren beschilderd.

Een voorbeeld hiervan is het museum Centre Pompidou in Parijs (1972) door Rogers en Piano. Van buiten lijkt het op een raffinaderij. Hightech gebouwen zijn succesvol als toeristische attractie, zoals ook Lloyd's building van Rogers in Londen. 


neorationalisme (1975-1990)

Geometrische vormen spelen een hoofdrol in deze stroming. Architecten streven net als bij het rationalisme uit het begin van de 20e eeuw naar een logische en objectieve benadering. De stroming zet zich af tegen de kleinschaligheid van het structuralisme en het organisch bouwen. Grootschalige, gesloten bouwblokken zijn kenmerkend voor deze rationele stedenbouwkundige plannen. Deze worden geplaatst op geometrische patronen. Er wordt in de gebouwen veel gebruik gemaakt van prefab gevelpanelen met een bekleding met tegels.

De stroming is gebaseerd op het 19e eeuwse rationalisme, waarin de plattegrond de basis is voor architectuur en stedenbouw. In Italië is deze stroming bekend onder de term Tendenza met de architect Aldo Rossi, die wel graag kleur aan zijn ontwerpen toevoegt. Hierdoor krijgen zijn ontwerpen een postmodern karakter.
Aldo Rossi -woonblokken in Berlijn
Architecten van het neorationalismeAldo RossiCarel WeeberWim Quist en Giorgio Grassi.

postmoderne bouwkunst (1980-heden)  

In de jaren tachtig keren veel architecten de strakke Bauhaus-stijl ('less is more') definitief de rug toe. Robert Venturi bouwde al in 1963 voor zijn moeder het Vanna Venturihuis vanuit de stelling: ‘less is a bore’.
De (klassieke) bouwgeschiedenis wordt herontdekt als inspiratiebron voor de architectuur. Vanaf ca. 1970 ontstaat het Europese postmodernisme met hernieuwde belangstelling voor klassieke bouwstijlen. Klassieke elementen worden vaak in combinatie met moderne elementen gebruikt. Vrije toepassing van oude vormen als fronton, zuil of kapiteel leiden tot een nieuwe, hedendaagse taal. 
Verschillende historische stijlen worden door elkaar gebruikt en versmolten tot iets nieuws, daarom is het postmodernisme een eclectische stijl. Vrolijke kleuren en glanzende materialen geven postmoderne gebouwen een speels karakter. Het gevoel wordt weer aangesproken, en het decoratieve wordt weer belangrijker dan een functioneel uiterlijk. Ver doorgevoerd postmodernisme wordt ook wel 'folly-stijl' genoemd. Klassiek voorbeeld is het Piazza d'Italia van Charles Moore.
Charles Moore - piazza d'Italia
neotraditionalisme

Een uitloper van het postmoderne bouwen is de terugkeer van het traditionalisme. Voorbeeld van woonwijken die als een replica uit het verleden, vol met historische verwijzingen, gebouwd worden, is de wijk Brandevoort
Koloniale stationskap in de wijk Brandevoort
In Nederland werden ook huizen in de zogenoemde 'jaren-30-stijl' op Vinex-locaties populair. 
Een ander voorbeeld van ver doorgevoerd postmodernisme en neotraditionalisme is de wijk Poundbury van Léon Krier in Dorset: de wensen van de architectuurconsument en een nostalgisch verlangen naar het verleden hebben geleid tot conservatieve standpunten in de architectuur en een conservatieve vormentaal. Prins Charles gaf in 1988 de architect en stedenbouwkundige Léon Krier opdracht om zijn droom te realiseren: een nieuwe, milieuvriendelijke gemeenschap, waar mensen wonen en werken in traditionele architectuur. Krier realiseerde dit modeldorp op 400 hectare landbouwgrond in Poundbury. Het bestaat uit een mix van stadse woningen, bungalows, winkels en bedrijven voor 5000 inwoners.
Het neotraditionalisme van Poundbury is deel van een bredere beweging die ook New Urbanism wordt genoemd. Een van de eerste voorbeelden daarvan was Seaside in Florida waar The Truman Show werd gefilmd.

Bij Den Bosch verrees de wijk Haverleij, met woonkastelen en woningen in Middelleeuwse stijl waar ophaalbruggen, torentjes en kantelen het karakter bepalen.

Architecten postmodernisme: Robert Venturi, Charles Moore, Ricardo Bofill, Aldo Rossi, Michael Graves, Rob KrierLéon Krier en Sjoerd Soeters.

deconstructivisme (1988-heden)

Kenmerken van deze stroming zijn chaotische en gefragmenteerde gebouwen die schots en scheef staan. De ruimtelijk complexe ontwerpen hebben een divers materiaal en kleurgebruik. Deze bouwstijl zou de verwarring en onzekerheid van de moderne maatschappij moeten weerspiegelen. Met computerprogramma's kunnen zeer complexe en extravagante gebouwen worden ontworpen, die er soms uitzien alsof er een bom ontploft is.

In Nederland is het Groninger museum van Mendini en Coop Himmelb(l)au een goed voorbeeld. 
Frank Gehry ontwierp het hoofdgebouw Nationale Nederlanden in Praag en het Guggenheim in Bilbao.
Frank Gehry - kantoorgebouw in Praag, geïnspireerd door het danspaar Ginger en Rogers

neomodernisme (1985-heden)

Deze stroming maakt gebruik van dezelfde vormentaal als de Stijl en het Functionalisme. Vaak hebben de gebouwen een duidelijke hoofdvorm, maar het materiaal- en kleurgebruik is veelzijdiger. De ontwerpen hebben meestal wel een horizontale opbouw, met gevelbekleding en verspringende raampartijen worden contrasten aangebracht. De structuur van materialen mag ook zichtbaar zijn, in tegenstelling tot het modernisme wordt er wel regelmatig gebruik gemaakt van baksteen. Maar ook typische materialen van de moderne architectuur als glazen bouwstenen en stucwerk worden weer toegepast.
architectenbureau Mecanoo  - zorgcentrum, woningcomplex voor ouderen
In Nederland is het neomodernisme vertegenwoordigd door ontwerpen van Jo Coenen en door architectenbureau Mecanoo.

supermodernisme (1995-heden)

Het supermodernisme is een consequenter vervolg van modernistische stromingen als het functionalisme. Deze gebouwen hebben vaak rechthoekige vormen. Supermodernisme is dan in feite een soort perfectionering van het modernisme, waarbij de ruimte optimaal benut wordt. Gestapelde bouwblokken bieden veel binnenruimte zonder teveel grondoppervlak in te nemen. Dan kiest men een vormentaal die lijkt op het modernisme: strakke eenvoudige vormen die niet verwijzen naar de omgeving of naar de functie van het gebouw.
Voorbeeld is werk van architectenbureau MVRDV is poppodium de Effenaar in Eindhoven en het woonblok Mirador in Madrid.

Andere ontwerpen hebben een gladde huid met een transparante (klimaat)gevel of een semi-transparante doorschijnende gevel. In deze stroming speelt de 24-uurs economie en globalisering een grote rol. De nadruk ligt op luchthavens, stations, stadions, hotels en winkelcentra en is minder gericht op woningbouw.
Vaak wordt er met innovatieve materialen gewerkt waarmee decoratieve oppervlaktes ontstaan. 
De architectuur van Herzog en de Meuron is daarvan een voorbeeld.
Herzog en De Meuron - stadion in Beijing / het vogelnest  2008
multifunctionele gebouwen

Om de bruikbaarheid van gebouwen te verhogen ontstonden multifunctionele gebouwen als de Amsterdam Arena (1996) van Rob Schuurman voor concerten en sportmanifestaties.
De Stopera in Amsterdam (1983) door Wilhelm Holzbauer en Cees Dam is een combinatie van een stadhuis en een operagebouw.

De hoogtijdagen van het postmodernisme lijken voorbij. In de architectuur van de 21ste eeuw worden modernisme en postmodernisme met elkaar verbonden. Door de globalisering is in de architectuur een ontwikkeling ontstaan - gericht op experiment en vernieuwing - die het modernisme als inspiratiebron erkend. Dit blijkt uit projecten van architecten als Rem Koolhaas, Jean Nouvel en Herzog en de Meuron